Gepubliceerd op 18 juni 2018

‘Zegels plakken’ en daarna

De manier waarop we sparen voor het pensioen heeft in de geschiedenis nogal wat veranderingen ondergaan. Als we over hervorming van het pensioenstelsel praten dan lijkt het dat het al heel lang zo was zoals nu. Maar als je maar even terugblikt, dan kom je hele andere dingen tegen. Zoals zegeltjes.

Er is de laatste jaren veel te doen over dat ‘sparen voor later’:  het pensioen. Ons bestaande pensioenstelsel moet op de schop, zo wordt van diverse kanten geroepen. Wat horen we? Meer zekerheid. Meer indexatie. Meer premie. Minder premie. Meer individueel pensioen. Minder solidariteit. Minder kosten. Meer vrije keuzes. Pensioenplicht voor ZZP-ers. Weg met de verplichte deelname. Het zijn volstrekt onverenigbare zaken. Opeenvolgende regeringen hebben ook allerlei opvattingen over wat ons pensioenstelsel nodig heeft, maar de vraag is of de deelnemer er wijzer van wordt. Bijvoorbeeld het ‘persoonlijke potje’. Het blijkt dan toch niet zo persoonlijk te zijn, minder op te leveren in slecht economisch tij en onzekerder dan nu welke pensioenuitkering er uit rolt.

Vroeger werkte men soms letterlijk tot men erbij neerviel. Alleen voor geluksvogels waren er vermogende familieleden die voor hen zorgden als zij echt niet meer konden werken. Er zijn slechts hier en daar voorbeelden van collectieve regelingen of voorzieningen van de staat. Tot in de 5e eeuw kregen veteranen uit het Romeinse leger nà hun lange en harde diensttijd een stukje grond om in hun onderhoud te voorzien. Geen pensioenuitkering in harde valuta, maar een materiële tegemoetkoming, die de legionair in de toekomst nog enige houvast en zekerheid gaf.

Even in de tijdmachine. Met de komst van de industrialisatie in de 19e eeuw gaan er concentraties van werkende mensen ontstaan en de vorming van fondsen. De eerste pensioenregelingen ontstaan per bedrijf. Na de Tweede Wereldoorlog zien we de opkomst van pensioenfondsen per bedrijfstak. Doel was om naast de magere staatsuitkering (in die tijd ontstond de AOW) een aanvullend pensioen op te bouwen om armoede onder ouderen te bestrijden. In alle bedrijven in de sector. Zo werd ook het Bedrijfstakpensioenfonds Metaal en Techniek (PMT) opgericht in 1948, precies 70 jaar geleden.

In de periode van 1948 tot 1970 spaarde men bij PMT met zegels voor het pensioen. De werknemer plakte één zegel per week, men kon niet onbeperkt zegels kopen. Naast de weekzegel, die door de werkgever ingestuurd werd, kreeg de werknemer een controlezegel. Eén zegel bewaarde de werkgever op een kaart, die hij naar het pensioenfonds stuurde als de kaart vol was. De werknemer kon via de controlezegel in de gaten houden of er daadwerkelijk pensioen werd opgebouwd. Hij kreeg immers ook een pensioenoverzicht en kon zo controleren of zijn aantal zegels overeenkwam met de zegels die zijn werkgever had ingestuurd. De zegel gaf recht op een vast bedrag tijdens het pensioen, zonder indexatie. Eigenlijk begon het dus met een persoonlijke pot.

Er was in die jaren wel een onderscheid tussen handarbeiders (verplichte deelname) en beambten (niet of later verplichte deelname). Daarnaast waren er aparte zegels voor de groep zelfstandigen (AA-zegels). In die tijd had PMT dus twee soorten deelnemers: de deelnemer-werknemer en de deelnemer-zelfstandige.

Pas na 1970 ging PMT over naar opbouw van aanspraken die een relatie hadden met het loon. Het werd gezien als een grote vooruitgang. Einde van het vaste pensioenbedrag dat bij grote inflatie nog maar weinig koopkracht opleverde en geen relatie meer had met wat mensen verdienden toen zij nog werkten.

Werknemers sparen nu als deelnemer van een pensioenfonds in de vorm van de opbouw van aanspraken. De werkgever betaalt mee. De premie die zij gezamenlijk inleggen (bij PMT werkgevers: 53,7% en werknemers: 46,3%) gaat in de collectieve pot van het fonds. Het fonds belegt dat geld zorgvuldig, waardoor die collectieve pot flink groeit. Bij PMT bijvoorbeeld van 48,3 miljard euro in 2013 naar 70,3 miljard euro eind 2017. Het pensioenfonds zegt de deelnemers, in ruil voor die inleg, een (uitkerings)bedrag toe vanaf de pensioendatum. Pensioenaanspraken worden, indien dat kan, geïndexeerd. Deze toezegging kent een grote mate van zekerheid, maar geen absolute garantie. Ernstige schokken op de financiële markten, grote veranderingen in de levensduur, verandering van spelregels (rekenrentes!) kunnen er voor zorgen dat het fonds niet kan indexeren of zelfs, in het ergste geval, moet korten op de opgebouwde aanspraken en ingegane uitkeringen. Veel deelnemers weten niet precies aan welke regels het pensioenfonds allemaal moet voldoen en vragen zich af hoe het mogelijk is, dat er zoveel geld in de collectieve pot zit, terwijl er toch niet geïndexeerd kan worden. Het levert zelfs bij menige deelnemer ronduit onvrede op.

De collectieve regeling had inmiddels rechten gegeven aan mensen die werkloos of arbeidsongeschikt werden, zodat hun pensioenopbouw niet meteen eindigde. De uitkering op basis van het laatste loon werd vervangen door een opbouw van rechten over jaarlijks verdiende loon, het middelloon systeem. De deelnemers die weinig grote salarissprongen hadden gekend in hun loopbaan zagen hun ingelegde premie voor een deel aangewend worden voor de deelnemers die in de loop van hun carrière wel veel meer waren gaan verdienen. Het fonds moest immers een hoog eindloon pensioen gaan uitkeren aan mensen die over de jaren van hun lagere lonen evenveel premie hadden betaald als hun collega’s die niet met een veel hoger loon met pensioen gingen.

Het opbouwpercentage steeg bij de invoering van het middelloon stelsel van 1,75% naar 2,25% per jaar van deelname. Dat was bedoeld om het gemiddelde pensioen van de deelnemers op hetzelfde niveau te houden. Bovendien was het doel om extra pensioen op te bouwen dat eerder kan worden opgenomen om volledig of in deeltijd met vroegpensioen te gaan.

PMT belegt inmiddels met een (collectieve) “pot” van 70 miljard euro. Een enorm bedrag. Toch, door de regels rond rekenrentes en dekkingsgraad, daling van de (Europese) rente en de stijging van de levensverwachting, is die collectieve pot - volgens de huidige rekenregels - niet vol genoeg. Dit zorgt ervoor dat de pensioenen van werknemers en gepensioneerden van PMT al jaren achtereen niet worden geïndexeerd. Verandert nou met zo’n zogenoemd persoonlijk potje de hoogte van de pensioenuitkering? Nee, een persoonlijk potje geeft inzicht in wat er is ingelegd aan premie, maar zegt niets over de hoogte van de uiteindelijke pensioenuitkering. Die kan namelijk nog steeds alle kanten op.

Een ding weten we nu echter wél: in het huidige collectieve systeem krijgt de deelnemer ongeveer drie keer de ingelegde premie aan pensioen uitgekeerd (afhankelijk van wanneer men is gestart met de pensioenopbouw). Dat is nog altijd veel méér dan zo’n persoonlijke spaarkaart met zegeltjes.

Jos Brocken

Werknemersvoorzitter PMT

Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit blogitem.

Laat een reactie achter

Naam *
E-mail * (wordt niet getoond)
Bericht *
Anti Spam *
Velden met een * zijn verplicht.
< Terug naar het overzicht
Jos Brocken

Jos Brocken

Werknemersvoorzitter PMT