Gepubliceerd op 6 februari 2011

Reactie PMT op uitzending Zembla

Op zaterdag 5 februari besteedde het Vara-programma Zembla aandacht aan de prestatie van de pensioenbeleggingen in Nederland. Deze uitzending is gebaseerd op onderzoek dat bureau Bosch in opdracht van Zembla heeft uitgevoerd, waarin de beleggingsresultaten van pensioenfondsen zijn geanalyseerd. Het onderzoek zou aantonen dat pensioenfondsen over een periode van 20 jaar 'underperformance' hebben laten zien en dat zij hierdoor in totaal 145 miljard euro zijn kwijt geraakt. PMT zet echter grote vraagtekens bij de uitkomsten van dit onderzoek.

Bedrijfstakpensioenfondsen (waar ongeveer 75% van alle deelnemers bij aangesloten zijn) hanteren de zogenaamde z-score als maatstaf voor hun beleggingsresultaten. De z-score is een maatstaf die weergeeft wat de beleggingsresultaten van een pensioenfonds zijn ten opzichte van de resultaten van een passende benchmark. Hierbij spelen ook de samenstelling van het belegd vermogen en de uitvoeringskosten een rol. Sinds de introductie van de z-score is gebleken dat pensioenfondsen over het algemeen beter hebben gepresteerd dan de van te voren vastgestelde benchmark. Er is dus sprake van 'outperformance' in plaats van 'underperformance'.

Ook zou er volgens het onderzoek van Bosch te risicovol belegd zijn door pensioenfondsen. Fondsen beleggen echter risicovol om hogere rendementen te kunnen behalen. Zie op dit punt ook de recente Policy brief van het Centraal Plan Bureau 2011/01 waarin hoofdstuk 3 als titel heeft: “Een goed pensioen is risicovol”. Dat aandelen een hoger rendement opleveren dan vastrentende waarden zoals staatsobligaties is een zeer breed onderschreven economische theorie. De stelling dat pensioenfondsen in 2002 beter massaal uit aandelen hadden kunnen gaan is een goed voorbeeld van wijsheid achteraf en getuigt van een korte termijn visie. Indien alleen risicoloos belegd was zouden de pensioenpremies nu veel hoger en de pensioenuitkeringen veel lager zijn geweest.

In de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw waren de kassen van pensioenfondsen goed gevuld. Veel fondsen hebben in die tijd hun pensioenpremies verlaagd en in sommige gevallen zijn zelfs premies teruggestort naar hun sponsor (premieholidays). Dit laatste heeft bij PMT echter niet plaatsgevonden.

Overheid en werkgevers en werknemers hebben in die tijd veel profijt gehad van de daardoor verkregen extra koopkracht. Ook de overheid betaalde in die tijd een lagere premie. Dat was zo geregeld in de wet. Door de dreiging van een conceptwet die afroming van buffers boven een dekkingsgraad van 115% voorstelde (de Wet Brede Herwaardering), was het voor pensioenfondsen ook niet aantrekkelijk om ‘teveel’ geld in kas te hebben. Onder het toen geldende financiële toetsingskader was er sprake van een gezonde situatie. Terecht stelt minister Kamp in z’n antwoorden op vragen van de Tweede Kamer van 2 februari jl. dat berekeningen van wat het vermogen van pensioenfondsen zou zijn geweest als er geen verlaging van de pensioenpremies had plaatsgevonden, een in hoge mate theoretische en speculatieve exercitie zouden zijn.