Gepubliceerd op 22 september 2016

Opinie Hogere AOW wapent pensioenstelsel tegen effecten lage rente

De effectiviteit van kapitaaldekking neemt af in een omgeving met lage rente en lage groei. Volgens Benne van Popta, werkgeversvoorzitter van PMT, reden om kritisch te kijken naar de verhouding tussen omslag­ en kapitaalgedekt. Een hogere AOW moet de komende jaren kortingen te niet doen.

Benne van Popta
De pensioenagenda 2012 had drie speerpunten: overgang naar een reëel contract, meer individualisering, minder herverdeling. Het reële contract is gesneuveld, de rente is een taboe­onderwerp geworden. Over individualisering wordt nu zakelijker gediscussieerd. Vaak is het geen goed idee: we zadelen de deelnemer op met verantwoordelijkheden die hij niet kan waarmaken. De herverdeling is thans nagenoeg afwezig: er zijn geen buffers meer en bij zulke lage rente’s is de herverdeling via de doorsneesystematiek bijna verdwenen.

Wat mij evenwel opvalt in de discussie 2016 is dat ervan wordt uitgegaan dat de pensioenagenda 2012 nog uiterst actueel is. Daardoor worden nieuwe ontwikkelingen, die veel urgenter en ingrijpender zijn, gemist.

Dus toch maar eerst het taboe­onderwerp rente. Door structurele, macro­economische en wereldwijde ontwikkelingen is de evenwichtsrente sterk gedaald. De verwachting is gerechtvaardigd dat dit nog wel jaren lang zo zal blijven. Kapitaaldekking is in een lage rente­omgeving minder effectief. Het beleid van de ECB en de verandering van de rekenrente door DNB hebben de structurele problematiek van pensioenfondsen extra vergroot en daarmee de perspectieven van de deelnemers extra verslechterd. Deze ontwikkeling van de rente en de consequenties daarvan voor pensioenen speelden geen rol in 2012.

De pensioenagenda 2017 – 2020 wordt daarom gedomineerd door de tekorten in het huidige pensioencontract. Veel pensioenfondsen zullen jaren achtereen moeten korten en een aantal zal in 2019 constateren niet een dekkingsgraad te hebben bereikt van 104%, waardoor in de jaren na 2019 onvoorwaardelijke kortingen volgen.

Bovendien is de premiedekkingsgraad sterk gedaald. PMT voert een vijfjarig pensioencontract uit (2015 – 2019). Bij aanvang van het contract was de premiedekkingsgraad 90%, en is nu gezakt tot 70. Als de premiedekkingsgraad weer terug zou moeten naar 90% moet de opbouw worden verlaagd, van 1,875 naar 1,45%. Bij een premiedekkingsgraad van 100% (niet met verlies inkopen) zou de opbouw terug moeten naar 1,30%. De lage rente pakt dus zeer negatief uit voor de toekomstige opbouw. Puur rekenkundig kan het gaan om een verlaging van de toekomstige opbouw met 20 á 30%.

Deze sterke verslechtering van de pensioenvooruitzichten is onafhankelijk van het contract. De rente blijft de rente, de rendementen blijven de rendementen. Een nieuw contract verandert daar niets aan. Voorstanders van het nieuwe contract wekken evenwel de suggestie dat het nieuwe contract alle problemen opgelost. De geschiedenis herhaalt zich. Voorstanders van het reële contract werd verweten een te rooskleurige voorstelling van zaken te geven. Immers: er kwam niet meer geld bij in het reële contract. Ofwel: de huidige modellendiscussie is in het licht van de lage rente­trage groei omgeving van betrekkelijke betekenis. Elk contract heeft te kampen met de sterk afgenomen effectiviteit van kapitaaldekking.

In de pensioenagenda 2020 en latere jaren staan thans twee onderwerpen centraal: het analyseren van twee pensioenmodellen en het afschaffen van de doorsneesystematiek in alle contracten. Maar die modellen doen er rekenkundig niet zoveel toe. En afschaffen van de doorsneesystematiek is macro­economisch problematisch. Oplossing via premieverhoging leidt tot lastenverzwaring en dat remt de groei. En het afschaffen leidt tot nog meer sparen, wat we al heel veel doen.

Meerjarige aanpak

Mijn tweede boodschap is een pleidooi voor een gezamenlijke, integrale en meerjarige aanpak van onze pensioenproblematiek.

Het gaat om het nemen van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de dragende partijen – politiek, sociale partners, pensioenfondsen – voor de toekomst van ons stelsel. We staan aan de vooravond van ingrijpende veranderingen. Onze opdracht is draagvlak te organiseren voor de noodzakelijke veranderingen? perspectief te bieden op een stabiel pensioen in een instabiele wereld? een basis voor vertrouwen te leggen, zodat wantrouwen en onbehagen weinig kans krijgen.kans krijgen. Het gaat mij om een integrale en meerjarige aanpak van de meest actuele vraagstukken. Dat zijn er drie.
  1. het aanpakken van de tekorten in het huidige contract 2017 – 2020?
  2. het expliciteren van de belangrijkste waarden van de nieuwe contracten na 2020?
  3. het aanpassen van ons stelsel aan een lage rente­trage groei omgeving.
Het huidige contract heeft twee tekorten. Ten eerste zit er te weinig geld in kas voor de bestaande opbouw. Ten tweede wordt voor nieuwe opbouw te weinig betaald.

Ik pleit ervoor dat de aanpak 2017 (korten op bestaande opbouw plus compensatie via de AOW) de structurele aanpak 2017 – 2020 gaat worden. Er wordt gezegd dat het om kleine bedragen gaat. Dan is het antwoord eenvoudig: dan kost ons compensatievoorstel ook weinig. Maar het draagt wel in belangrijke mate bij aan een gewenst perspectief op een stabiel integraal pensioeninkomen in de jaren 2017 – 2020. En dat is een noodzakelijke voorwaarde voor het doorvoeren van de vernieuwingen daarna. Een jaar­op­jaar benadering leidt tot veel te veel onzekerheid en tot een voortslepend debat. Gegeven de omvang van de problematiek komt hierbij onvermijdelijk de vraag op of de huidige regelgeving niet te restrictief is om tot een maatschappelijk aanvaardbare oplossing te komen.

Ons huidig contract heeft als etiket garantiecontract. Die vlag dekt de lading al lang niet meer. Veel fondsen hebben onvoldoende vermogen en moeten korten. Met zijn allen zitten we de facto in een ambitiecontract. Zonder het te beseffen zijn we ingevaren in het ambitiecontract (met ufr met doorsneesystematiek). Laten we ons contract dan ook maar zo noemen.

Rekenen

Vervolgens moeten we de vernieuwingen 2020 en latere jaren voorbereiden. Het motto hierbij lijkt te zijn: rekenen, rekenen, en nog eens rekenen. Maar “niet bij rekenen alleen” zou mijn motto zijn. Allereerst omdat ook de nieuwe contracten zich niet kunnen onttrekken aan de lage rente – trage groei omgeving. De rekensommen zijn sterk afhankelijk van veronderstellingen en gebruikte modellen, de uitkomsten tenderen naar elkaar toe. Maar vooral: pensioencontracten brengen ook maatschappelijke waarden tot uitdrukking. Laten we die expliciteren. Uiteindelijk geven niet de rekensommen de doorslag, maar maatschappelijke waarden, die deels hun vertaling krijgen in actuariële rekenregels.

Tenslotte de derde opgave. Stel dat de lage rente – trage groei omgeving nog een decennium bij ons is. Twee decennia Great Recession. Ik ga hier niet in op de economische achtergronden maar vraag me af hoe je in deze omgeving een adequaat pensioen kunt realiseren. Kapitaal rendeert veel minder, de grondslag van de AOW groeit beperkt. De pensioenleeftijd nog verder verhogen? De premie verder verhogen? Het Witteveen­kader nog verder verlagen? In deze toekomst is de vraag “kunnen we een adequaat pensioen realiseren” relevanter dan de verdelingsvraag tussen jong en oud. Beide zitten in hetzelfde schuitje: het pensioenkapitaal rendeert gewoon veel minder. Ons stelsel is niet voorbereid op deze toekomst.

Al die vragen beantwoorden gaat te ver, maar ik heb wel een praktisch voorstel. Naar mijn idee kan het CPB wel stoppen met de contract­sommen. De vrijgekomen capaciteit kan het CPB inzetten voor de bestudering van de optimale omvang van kapitaaldekking en omslagfinanciering in een wereld van lage rente­ trage groei. Dat spoort veel meer met de pensioenagenda 2017 ­ 2020 en volgende jaren. Je kunt immers ook te veel van het goede (kapitaaldekking) hebben.

© 2016 Pensioen Pro. Alle rechten voorbehouden.